De 10- die zijn tweede restaurant Anna onlangs kreeg van culinair recensent Johannes van Dam, zal hij nooit inlijsten en aan de deur hangen. ‘Maar ik heb thuis wel een vreugdedansje gemaakt.’ Michiel Kleiss, horecaondernemer is tamelijk wars van publiciteit. Op de vraag waarom hij niet adverteert voor zijn zaak, reageert hij fel. ‘Nee, dat wil ik niet. Ik heb een hekel aan verkopen. Dat vind ik moeilijk. Ik vind het ook heel vervelend als een product voornamelijk uit marketing bestaat. Ik ben graag een oase, een open plek in het bos waarbij ik een hedendaagse vorm van echtheid zoek, een vorm van authenticiteit. Ik wil zelfstandig kwaliteit leveren en niet lenen van anderen.’ Hij geeft een voorbeeld van de cognacs die hij schenkt in zijn andere zaak, brasserie Harkema ook gevestigd in de binnenstad van Amsterdam. ‘Ik heb een voorkeur voor kleine producenten die zelf iets goeds maken en die niet weten hoe ze hun goede product moeten verkopen. Daar doe ik graag zaken mee. De cognac die wij schenken is onbekend en net zo duur als de bekende merken, maar het product is wel twee keer zo goed.’ Hij noemt zichzelf ‘een bètaman’ en ‘een nerd’. Naar eigen zeggen kan hij niet koken en was hij tot voor kort een fervent chocomeldrinker en wist hij niks van wijn. Toch is hij horecaondernemer. En met succes, want de twee bedrijven die hij tot nu toe heeft opgezet staan stevig op de kaart van culinair Amsterdam. Michiel Kleiss (52) is ook een man die zich het liefst op de achtergrond houdt. Vrienden noemen hem ‘niet bepaald een sociaal beest’. Op een party zul je hem eerder aantreffen met een boek in de keuken dan midden in het feestgedruis, vertellen ze. Daar is hij het niet mee eens, maar hij vindt het wel prettig om ‘wat los van de grote mensenwereld te staan’, zoals hij het zelf formuleert. ‘Dat is een terugkerend thema in mijn leven.’Ik hou van mensen. Maar wel een klein beetje op afstand.’

James Deaneffect
In de jaren negentig werd hij zakelijk directeur van de Roxy, de roemruchte Amsterdamse discotheek die in 1988 als culturele salon werd opgericht door drie kunstenaars. De Roxy was gevestigd in een oude bioscoop aan de Singel en was het brandpunt van uitgaand Amsterdam in de jaren negentig. ‘Het was een fantastisch bedrijf dat dreef op de creativiteit van allerlei gekke en leuke kunstenaars. Alles kwam daar samen. Nieuwe muziek, de nieuwe drug XTC, en het nieuwe optimisme van die jaren. Het was een heerlijke bende, maar wel avant-garde. En ik als nerdje mocht daar deel van uitmaken. Daar ben ik wel trots op.’ Kleiss werd de Roxy binnengehaald omdat het zakelijk wat minder florissant liep met de culturele salon. ‘Over de drie heren die het hebben opgericht geen kwaad woord, maar ze hadden het niet echt goed georganiseerd en het geld liep er heel snel uit. Voor mij had een interim-directeur de ergste problemen al opgelost. Ik ben er daarna binnengehaald als financieel directeur in een half gespreid bedje.’ Met zijn komst belandde de Roxy definitief in de zwarte cijfers. ‘Zo ingewikkeld is dat niet. Je moet gewoon optellen wat die avonden opleveren en wat je dan kunt uitgeven. Ze hadden iemand nodig die kon rekenen en dat was ik.’ Op 21 juni 1999, de dag waarop één van de oprichters, Peter Giele, werd begraven, brandde de zaak af. Er werd vuurwerk afgestoken en niemand had er aan gedacht de afzuiginstallatie uit te zetten. Het einde van de Roxy zorgde voor een soort James Dean-effect volgens Kleiss. ‘De Roxy werd daardoor legendarisch en zal het ook altijd blijven.’ Het directeurschap van de Amsterdamse discotheek was de tweede stap die hij zette op weg naar zijn latere bestaan als horecaondernemer. Niet alleen zijn zakelijke knowhow, vergaard tijdens zijn tweede studie, economie, had hem de baan bezorgd als directeur van de Roxy. Wat zeker ook hielp was dat hij heel veel wist van muziek. Daardoor namen niet alleen de initiatiefnemers van de Roxy hem serieus, maar belandde hij ook in het uitgaansleven, waar hij in verschillende clubs diskjockey was. ‘Ik verdiende geld met m’n hobby. Het was een gouden tijd.’

Penicilline
Vol trots laat Kleiss zijn platencollectie zien. Twee wanden zijn er van plint tot plafond gevuld met kasten vol ouderwetse lp’s. ‘Drieduizend. Vrijwel uitsluitend zwarte muziek.’ Muziek: het blijft een van zijn grote passies. Net als wijn waar hij tegenwoordig bijna net zoveel van weet als een gediplomeerd sommelier. ‘Wijn van zo’n 25 euro. Dat is wel het maximum. De rest is marketing. En dan maar proeven met een paar vrienden. Lekker kneuterig.’ Hij woont tegenwoordig in het centrum, maar groeide op in Amsterdam-West. ‘In een volkse buurt.’ Zijn vader was ambtenaar, werkte bij de PTT en klom op van loketmedewerker tot hoofd personeelszaken in Amsterdam. ‘Ik kom uit een echt middenklasse milieu. Academisch was het beslist niet.’ Toch ging Kleiss studeren. Voordat hij aan economie begon, stortte hij zich in 1977 op een studie medicijnen die hij bovendien afmaakte. Niet omdat hij dokter wilde worden, maar omdat hij een wetenschappelijke carrière ambieerde. De ommekeer kwam toen hij stage liep op het herseninstituut. ‘Ik kwam er al snel achter dat de wetenschap het niet was voor mij. Behalve dat je heel erg geïnteresseerd moet zijn in dingen, is het ook een manier van leven. Die manier van leven leek me toch minder. Je zit dan in een gebouw met ook heel intelligente mensen, die niet noodzakelijkerwijs vlot of lollig zijn. Daar ga je dan tien jaar van je leven wijden aan het schrijven van een boek waarvan je je oprecht kunt afvragen of dat nu echt de nieuwe penicilline gaat opleveren. Nou, nee.’ Zijn specialisme was neurofysiologie. ‘Omdat ik al vroeg in de gaten had dat je toch een beetje een slaaf bent van je driften en emoties. Ik wilde weten wat de wetmatigheden waren die daar achter zaten en die al grotendeels zijn vastgelegd in je hersenen. Ik herinner me nog die leuke testjes waarbij je je eigen hersenen kunt foppen. Driehoeken die niet even groot lijken maar het wel zijn. Dat intrigeerde me toen enorm.’ Aan kinderen is hij nooit begonnen. ‘Daar ga je dan natuurlijk veel van houden en dat past niet in mijn levensfilosofie. Daarvoor ben ik toch net te beschouwend. Ik las pas het laatste boek van Michel Houellebecq, De kaart en het gebied. Daar heb ik me zeer in herkend. De verbazing waarmee hij naar alledaagse dingen kijkt vind ik fascinerend.’

Chic en louche
In 1998 werd hij hij festivaldirecteur bij Mojo concerts, de organisator van het Lowlandsfestival. ‘Toen ik daar begon wist in niet wat dat inhield: festivaldirecteur. Maar al snel werd me duidelijk dat ik daar niet echt geschikt voor was.’ Het was Kleiss’ taak de creatieve leiding en de logistieke en organisatorische poot van het festival vruchtbaar met elkaar te laten samenwerken. ‘Op zich was het interessant, maar ik was er niet geschikt voor want met zo’n functie zit je midden in een politiek spel. Want wie heeft de leiding, de creatieve of de productiekant? Ik was tamelijk naïef. Het is wel heel leerzaam geweest, maar na een jaar ben ik er vertrokken.’ Uiteindelijk werd de man die als wetenschapper begon, toch een horecaondernemer. ‘Alles wat ik heb gedaan voordat ik met Harkema begon was min of meer spielerei. Ik was de veertig gepasseerd en dan wordt het toch echt tijd om serieus aan de slag te gaan. En als je eenmaal veertig bent geweest, ligt een restaurant meer voor de hand dan de disco.’ Het duurde jaren voordat hij de geschikte plek had gevonden, de goede inrichting, het geld en de juiste mensen, maar toen Harkema af was had hij onmiddellijk het gevoel dat het klopte. ‘Het is echt. De prijs-kwaliteit verhouding is goed. Met 334 zitplaatsen heeft het ook een kosmopolitische uitstraling. Dat hoort erbij: je waant je midden in de wereld. Ik vind Harkema een geweldig restaurant. Het bestaat acht jaar. Ik ben erg trots. Langzamerhand is het een klassieker aan het worden.’ Toen werd het tijd voor iets nieuws vond Kleiss. ‘Je moet blijven fietsen want anders val je om. Als je alleen die kleine oase wilt beschermen die je hebt gecreëerd, bloed je dood.’ Daarom zag onlangs Anna het levenslicht, een restaurant met ruim honderd zitplaatsen, waar ‘tegen een ster aan’ wordt gekookt, zoals Kleiss het formuleert. Anna ligt midden op de Wallen en past daar goed volgens hem. Als een soort contrapunt. ‘Op de openingsavond stond ik gezellig samen met de meisjes van stripclub LaVie en Proost en met de eigenaren van RoB Leathershop en andere buurtbewoners een goed glas wijn te drinken. Hoerenloperij en dronkenschap horen erbij en maken deel uit van de aantrekkelijkheid van de buurt. Want het is een geweldig stukje Amsterdam dat zijn reputatie van seks en drugs niet moet kwijtraken, maar dat wellicht gebaat is bij een wat minder eenzijdig horeca- en winkelaanbod. Chic tussen louche.’ Is het toeval dat de medicijnenstudent horecaondernemer is geworden? ‘Ja, er zit veel toeval in. En toch is dit wel wat ik wil. Leven en gezelligheid om me heen, er onderdeel van uitmaken, maar er tegelijkertijd ook los van staan. Zoals een diskjockey in een discotheek.’

Het Financieele Dagblad, 2011