Het is heet op het plein. De lucht trilt bijna boven de kinderkopjes. Het begon dinsdag al en nu is het donderdag en is het nog heter. M’n deuren staan wagenwijd open. Een Spaanse klept maar door. Flarden muziek waaien de kamer binnen. Er lopen jonge mannen over het plein met een radio om hun pols of verstopt in hun rugzak. Eén van hen strijkt voor enige tijd neer op de boombank. Zijn we eindelijk verlost van die muziekmakers, krijgen we dit. Na een half uur krast hij op met z’n boem-boem herrie.

Tattoojongens en -meisjes zijn nu in volle glorie te aanschouwen. Alsof hun lijf her en der in de fik heeft gestaan. Zwarte en rode vlekken alom; op benen, armen, ruggen of in de nek. Eén heeft zelfs het complete metronetwerk van Londen op z’n rug laten etsen. Een ander heeft z’n gezicht veranderd in een ruïne waar nog her en der de ijzerresten uitsteken.