Het is herfst op het plein. De wind schudt aan de bomen en de regen klettert tegen het raam. In sneltreinvaart vliegen dotten grijs over het gouden haantje van de toren van de Oude Kerk. Altijd komen die dotten uit het westen. Net als de flarden regen.

De kinderkopjes glimmen in het licht van de lantaarns en de boombank is nu bruiner dan ooit. Een man probeert z’n billen droog te wrijven als hij opstaat. Een klein gezin – een man, een vrouw, een kind – zoekt beschutting tegen de druppels bij de lunchroom aan de overkant.