“13 december. Er komt een slee voorbij met drie paarden er voor. Ik vraag of ik mag meerijden. De koetsier roept dat ik weg moet wezen en als ik dat niet doe, geeft hij mij een zweepslag waardoor ik wel los moet laten. Te voet ploeter ik voort door de sneeuw. De weg is verlaten. Ik zie helemaal niemand. Het wordt donker en het is onduidelijk welke kant ik op moet.”

Het is op die 13e december 1812 bijzonder slecht gesteld met Jean Francois Dumonceau, in 1790 geboren in Brussel, op 12-jarige leeftijd verhuisd naar Groningen en sinds 1805 in dienst van Napoleon. Het vriest dat het kraakt en hij is niet alleen zijn knecht Jan en zijn paard Liesje kwijtgeraakt, ook van zijn ooit zo prachtige rode uniform is niet veel meer over dan lompen.
In die winter van 1812 keren de restanten van het eens zo machtige leger van Napoleon terug van hun veldtocht naar Moskou. Jean Francois Dumonceau is één van hen. In Nederland herinneren we ons die veldtocht vooral door de gebeurtenissen bij de Berezina. Nederlanderse soldaten onderscheidden zich daar als bruggenbouwers die niet schroomden zich bij meer dan twintig graden vorst in het ijzige water te storten. Maar de Berezina is slechts een kleine episode uit een tocht die desastreus zou verlopen en waarbij zelfs officieren uit een elite-eenheid het vaak niet overleefden.
Vijf maanden voor de terugtocht over de Berezina, op 24 juni 1812, steekt Napoleon met zijn Grande Armee de grens met Rusland over. Onder de half miljoen soldaten bevinden zich zo’n 25 duizend Nederlanders. Een handvol van die Nederlandse soldaten heeft een dagboek bijgehouden. Eén van hen is Jean Francois Dumonceau, kapitein in het elitecorps van de Rode Lansiers, het Nederlandse onderdeel van de keizerlijke garde, dat zo wordt genoemd vanwege hun rode kleding. Het dagboek van Dumonceau is geschreven in het Frans, de linga franca van de hogere kringen in die dagen en is nooit in het Nederlands vertaald. Dumonceau, zoon van een generaal en dan nog pas 21 jaar oud, verwondert zich regelmatig over de dingen die hij onderweg ziet en toont zich een scherp observator. Aan de hand van zijn herinneringen volgen we Napoleon op weg naar Moskou en terug.

Hoe anders dan op die 13e december was het allemaal op Nieuwjaarsdag van datzelfde jaar 1812. Voorafgaande aan de gebruikelijke parade was er een receptie geweest in de Tuilerieën, de tuinen van het keizerlijke paleis in Parijs. Omdat het steeds duidelijker werd dat er een oorlog met Rusland in het verschiet lag, was Dumonceau in een uitstekend humeur. Want oorlog betekende immers militaire roem en wat wil een jonge officier nog meer?
Als Dumonceau een half jaar later aankomt bij de grens met het Russische rijk is het volop zomer. De opmars gaat snel en een paar dagen later staat het leger al in Vilnius. Daar begint het te stortregenen. “Het zorgt ervoor dat de tuin waar we bivakkeren in een modderpoel verandert waar we tot onze knieën in wegzakken. Er is geen stro en geen hout om een vuur te stoken. In de avond volgt een verschrikkelijk onweer. De volgende dag, 29 juni, is alles wat ik aan heb nat.”
In de loop van juli is Dumonceau met het Napoleontische leger al diep doorgedrongen op Russisch grondgebied. Tijdens de dagmarsen komen ze door dorpen die hem erg aan thuis doen denken. “Ze zien er zo ongeveer hetzelfde uit als onze dorpen in Holland of België. Meestal zijn het een paar honderd huizen, de meeste van hout en ongeverfd. Ze bestaan uit één verdieping en hebben een dak van stro of zijn bedekt met een soort leisteen. Soms staat er één tussen van steen met een bovenverdieping. Een kleine kerk met klok en een uivormige toren maken het plaatsje compleet. Onder de inwoners zijn veel joden.” Het is gaandeweg deze maand opnieuw verzengend heet geworden en van de vijand zien ze maar weinig.

Na Smolensk verandert het landschap ingrijpend. Het is volgens Dumonceau desolater dan ooit. Als ze al dorpen tegenkomen zijn die in de as gelegd en voor het eerst ziet hij nu Kozakken. “Hun kleding bestaat uit niet veel meer dan lompen. Ze zitten op kleine, broodmagere paardjes. De ruiters zijn gewapend met een lange ruwe stok die aan het uiteinde is voorzien van een soort grote spijker die dienst doet als spies. Ze draaien in een schijnbaar volstrekte wanorde om ons heen. Ze doen me denken aan een wolk muggen die om ons hoofd zwermt.”
Begin september komt het eindelijk tot een echte slag met de Russen in de nabijheid van het plaatsje Borodino. Tot zijn grote teleurstelling worden Dumonceau en de Rode Lansiers niet bij de strijd betrokken, maar zitten ze op de reservebank.
In de loop van de avond als de gevechten zijn afgelopen, neemt hij een kijkje op het slagveld. “De loopgraven en kuilen zijn bezaaid met half begraven kadavers en lijken. Gewonde Fransen en Russen liggen dwars door elkaar heen en verschuilen zich gezamenlijk voor de wind door achter een verhoginkje in het terrein of door achter een dood paard te kruipen. Weer anderen murmelen zachtjes voor zich uit. Zij die nog slechts met één draadje aan het leven vastzitten maken rochelende geluiden.”
Dan gaat Dumonceau terug naar het bivak waar de vuren inmiddels zijn ontstoken. Zijn trouwe dienstknecht Jan heeft het avondeten al bereid: gort en thee met suiker. Die 7e september zal later bekend worden als de Slag bij Borodino en kostte tienduizenden levens.

De volgende dag, gaat het verder richting Moskou. Halverwege die maand schrijft Dumonceau: “Tegen de avond is er aan de oostelijke hemel een magnifiek schouwspel te zien. De hele hemel lijkt in de brand te staan. Ik denk eerst dat het de aurora borealis is, maar later begrijp ik dat het Moskou is dat in brand staat.”
De Russen hebben hun eigen hoofdstad in brand gestoken. De Rode Lansiers bivakkeren in een dorp net voor de Russiche hoofdstad. Dumonceau gaat naar een verhoging in het terrein om naar Moskou te kijken. “Kloosters en koepels vormen een een bizar samenraapsel van weelderige paleizen en eenvoudige behuizingen, waarvan slechts de zwarte, door de branden aangetaste, ruïnes resten. De straten lijken geheel verlaten. Er is geen enkele beweging te zien.”
Veel meer krijgt hij niet te zien van Moskou. Als de tsaar een maand later het vredesvoorstel van Napoleon afwijst, zit er niks anders op dan de terugtocht te aanvaarden. Op 19 oktober begint de grote uittocht uit Moskou. De weg is slecht begaanbaar vanwege de hevige regenval en alle militaire transporten die er inmiddels overheen zijn gedenderd. En er is een nieuw probleem. “We krijgen nu te maken met steeds grotere groepen Kozakken. Die worden ook steeds brutaler en komen heel dichtbij. “Kom maar op, jullie dandies uit Parijs”, schreeuwen ze. Het zijn er duizenden en ze zijn veel talrijker dan wij.”
Op 27 oktober valt de eerste sneeuw en twee dagen later rijdt Dumonceau onder sombere luchten met sneeuwbuien opnieuw over het slagveld van Borodino. “Het is na de drukte niet meer dan een uitgestrekte lege vlakte geworden. Gieren en raven die sinds enige dagen ons vaste gezelschap vormen alsof ze een zekere buit achtervolgen, lijken zich hier in nog grotere aantallen gevestigd te hebben.”

Sinds de uittocht uit Moskou groeit de wanorde met de dag. “Een groot deel van het leger is inmiddels een ongeorganiseerde massa geworden. Deze losgeslagen soldaten zorgen voor steeds langere files voor de bruggen die we over moeten. Wie valt en niet meer kan opstaan wordt vertrapt.”
Ook het weer wordt met de dag slechter en de nood wordt snel groter. “Zelfs een paard wordt proviand. Als het op het punt staat om te bezwijken wordt het nog voor het dood is, aan stukken gescheurd. Iedereen probeert het beste stuk eruit te halen.”
Dumonceau ziet nu ook steeds meer stervenden langs de weg. “Ze zijn tegen een boom gaan zitten om te rusten. Eerst lijken ze alleen maar verdoofd, maar ze kunnen niet meer opstaan. Ze beginnen te schudden, het schuim op de mond. Vanaf dat moment zijn ze niet meer te redden. Soms zijn er nog een paar passanten met medelijden die gaan helpen maar dat wordt snel minder. Vaker worden de slachtoffers al tijdens hun doodstrijd beroofd. Hun schoenen, hun kleren, hun eten alles wordt hen afgenomen nog voor ze dood zijn. Iedereen denkt alleen maar aan zichzelf.”
Op 9 november bereiken ze opnieuw Smolensks en is ook de moraal tot ver onder het nulpunt gezakt. “We verlangen naar een compleet einde van de vijandigheden, want onze oorlogszuchtige instincten zijn wel genoeg bevredigd.” De Russen laten hen echter steeds minder met rust. En ook een andere plaaggeest steekt de kop op: luizen. “Vooral dichtbij een vuur maken die beesten het ons lastig. Iedereen probeert er vanaf te komen maar dat lukt niet want altijd blijven er wel een paar ergens verstopt zitten.”

Het sneeuwt nu voortdurend en beschutting is amper meer te vinden. Eind november komt Dumonceau aan bij de Berezina. Het vriest meer dan twintig graden. Op 27 november kan hij naar de overkant. “Ponteneurs en gendarmes die zich bij de toegang van de brug hebben geposteerd vechten met een ongeregelde meute om de overtocht toch ordelijk te laten verlopen. Om er doorheen te komen is het nodig geweld te gebruiken. We trekken onze sabels en iedereen die zich op ons pad bevindt wordt met de platte sabel weggeslagen. Als we eenmaal op de brug zijn, staan we net boven de waterspiegel en de brug schudt en wankelt hevig. Ponteneurs die tot hun oksels in het water staan zijn bezig de brug te herstellen. Onder hen bevinden zich Hollanders die ons begroeten en die ons helpen door kapotte karren, dode paarden en andere rotzooi die op de brug ligt, in de rivier te gooien.”
Een paar dagen later, op 5 december knijpt Napoleon er tussenuit en verdwijnt richting Parijs. “Nu hij ons heeft verlaten is elke hoop op een gelukkige afloop verdwenen´, klaagt Dumonceau.
Op 9 december bereikt hij opniuew Vilnius en twee dagen later staat hij weer aan de oever van dezelfde rivier waar hij op de heenweg zo nieuwsgierig naar was. Zonder veel emotie schrijft hij:”11 december. 9 uur ´s avonds: we bereiken de Niemen. Tussen enorme ijsblokken door steken we in diepe duisternis de rivier over. Dit is de grens van Rusland. Aan de overkant bevinden we ons in Pruisen.”
De volgende dag gaat hij weer op weg. Zijn knecht is hij inmiddels kwijtgeraakt. Dan slaat het noodlot opnieuw toe. Liesje, zijn vijf jaar oude merrie, glijdt uit en valt in een greppel. “Ik trek stevig aan de teugels om haar te dwingen op te staan. Het lukt niet, haar rug is gebroken. Als ze ziet dat ik verder ga, heft ze een paar keer haar hoofd op en volgt me met haar blik. Haar ogen zijn vol tranen, ze smeekt me niet te gaan. Ik ben ontroerd.”
Nu moet Dumonceau lopend verder. “De schoenen die ik aan heb begeven het al snel. Dus moet ik verder op blote voeten. Nu bevind ik me op mijn beurt tussen het loslopende volk dat ik zo vaak heb veroordeeld.” Dan komt de slede voorbij waar hij tevergeefs op probeert te klimmen.

Uiteindelijk redt Dumonceau het en komt hij half februari totaal berooid aan in Parijs. “In Versailles lijkt zo op het eerste gezicht weinig veranderd. Cafés worden druk bezocht en er worden als vanouds gemaskerde bals gehouden.” Maar de realiteit is anders. De veldtocht naar Moskou is het begin van het einde van Napoleon. Van de Grande Armee van een half miljoen komen er nog geen vijftigduizend terug.
Hoe het Jean Francois Dumonceau verder is vergaan? In 1813 raakt hij gewond, hij herstelt en wordt een jaar later onderscheiden met het Legion’ d Honneur. In 1815 verlaat hij de Franse dienst om vier jaar later majoor te worden van het 6e Regiment van de Huzaren in het Nederlandse leger. Op 10 augustus 1827 wordt hij adjudant van koning Willem III. Jean Francois Dumonceau overlijdt op 1 maart 1884, precies 94 jaar na zijn geboortedag, 1 maart 1790.

Trouw, 2012