Het begin van ‘t Okshoofd is zo onschuldig als een pasgeboren baby. Ze studeerden aan de Universiteit van Amsterdam en speelden graag een potje tafeltennis of zoals ze zelf toen zeiden pingpong, want zo noemen tafeltennissers hun spelletje.Om hun sport te kunnen beoefenen hadden ze zich aangesloten bij de Universitaire Sportvereniging Amsterdam. Wim van den Berg, Cor Schlösser en Rob Hendrikx heetten ze. Jongens waren het, aardige jongens die ook graag een biertje dronken in het café, maar die er al snel achterkwamen dat het in die dagen ‘s avonds na een uur of één was afgelopen met het leven in de wereldstad Amsterdam. De kroegen sloten de poorten en nachtsociëteiten waren er eigenlijk niet. Ja, De Kring, maar die was besloten net als de studentenverenigingen. En er was een nachtclub aan de zijkant van het Hirschgebouw op het Kleine-Gartmanplantsoen. Daar kon je alleen naar binnen als je een stropdas om had. Die kon je er ook huren herinnerde zich er één. Voor één gulden. Maar ja, jongens, en dan in die tijd een stropdas? Het frustreerde ze en ze spraken er met elkaar over en met hun trainer Mauri Coltof. Coltof was in die jaren geen onverdienstelijke tafeltennisser. Hij schopte het zelfs, samen met Bert Onnes, in 1965 tot Nederlands kampioen in het heren dubbelspel. Het moet in 1968 zijn geweest dat Mauri Coltof op een verjaardagsfeestje een praatje maakte met zijn neef Jan Tervoort. Tervoort zat in de dameshoeden, een bedrijf dat was gevestigd op de Herengracht. In die dagen zaten er meer van dat soort dameshoedenbedrijven op de Herengracht. Maar hoedjes waren uit, dames droegen geen hoedjes meer en de bedrijven leidden een nooddruftig bestaan. Een ruimte die ooit door de gemeente achter het bedrijf van Tervoort op de Herengracht 114 in de tuin was gebouwd, stond toch leeg en die konden de jongens van Mauri Coltof best huren om een potje pingpong te spelen en een biertje te drinken. Je kwam er via de voordeur aan het einde van een lange marmeren gang. Een prachtige ruimte daar in de achtertuin, prima geschikt voor een paar tafeltennistafels en een bar.

Verende vloer
Schlösser, Hendrikx, Van den Berg en trainer Coltof namen direct het besluit van de ruimte een soort sociëteit te maken, zodat ook anderen van de faciliteiten gebruik zouden kunnen maken. Een vergunning was geen probleem: die werd aangevraagd door het bestuur van de Universitaire Sportvereniging Amsterdam, geleid door keurige hooggeleerde heren. Restte het probleem geld. Er was zo’n twintigduizend gulden nodig. Trainer Coltof stak er zevenduizend gulden in. Zevenduizend kwam van Gerard Hendrikx, de vader van Rob Hendrikx die, o toeval, werkte bij bierbrouwer Oranjeboom. Deze bierbrouwer tenslotte zorgde voor de rest. Oranjeboom vond het fantastisch, zo’n “eigen” zaak midden in het bolwerk van Heineken. Toen konden ze aan de slag. In de ruimte achter Herengracht 114 werd een spiksplinternieuwe verende houten vloer aangebracht, belangrijk als je een goed partijtje wilde tafeltennissen. Er werd een bar ingebouwd en een klein keukentje. Er werden vier tafeltennistafels, een voetbalspel en wat oude meubels naar binnen gesleept en een plek gecreëerd waar een diskjockey zijn platen kon draaien. Veel meer was het niet en is het ook nooit geworden. Bezitters van een collegekaart konden lid worden van de sociëteit die inmiddels ‘t Okshoofd was gedoopt, een vondst van de moeder van Coltof die verwees naar een oude inhoudsmaat voor drank. Het lidmaatschap en de entree werden bepaald op één gulden. Er werd een portier bij de deur gezet, Henk van Dijk, een schriel mannetje en ook tafeltennisser, want ja wat kon er gebeuren? Klaar was Kees. Toen ‘t Okshoofd in augustus 1968 de deuren opende was het vrijwel onmiddellijk een doorslaand succes. De klandizie kwam via mond-tot-mondreclame en bestond vooral uit studenten en kunstenaars. Er werd tafeltennis gespeeld, maar in de loop van de avond gingen de tafels aan de kant en werd er tot in de kleine uurtjes op die prachtige tafeltennisvloer gedanst op muziek van Beatles, Stones, Kinks, Byrds en James Brown om een paar namen te noemen. Vooral muziek die niet in de Top-40 te horen was. Het einde van de pret, rond vier uur doordeweeks en vijf uur in het weekend, werd eerst aangekondigd door het Vioolconcert van Ludwig von Beethoven, later door The Doors met het nummer When the music ‘s over.

Trouwe bouvier
De wittebroodsweken van ‘t Okshoofd duurden zo’n twee jaar. De tafeltennistafels waren inmiddels definitief verhuisd naar de bezemkast en de zaak was de initiatiefnemers al lang boven het hoofd gegroeid. Coltof, de senior in het gezelschap, werd herhaaldelijk op bureau Warmoesstraat ontboden. Daar werd hem te verstaan gegeven dat er van alles gebeurde in ‘t Okshoofd wat God had verboden. Ook dealers hadden namelijk al snel de weg naar de nachtsociëteit gevonden. De zaak hoefde echter niet te worden gesloten. Letterlijk werd er tegen Coltof gezegd: ‘Wij hebben er belang bij dat u openblijft, want al het schorem van de stad gaat daar naar toe.’ De politie vond het wel goed, alle in hun ogen louche figuren, geconcentreerd op één overzichtelijke en controleerbare plek. In al hun naïviteit hadden de drie studenten en hun tafeltennistrainer een zaak opgezet die liep als een trein en waar flink geld mee te verdienen viel. Dat bleef niet onopgemerkt. Het bier kostte er een gulden zegt de één en 77 cent daarvan was winst. Een ander zegt dat het maar zes dubbeltjes kostte, maar ook bij zestig cent was de winst fors. Tervoort, de eigenaar, zag het ook. Hij deed zijn hoedjes aan de kant, en nam de zaak van de studenten over inclusief de sociëteitsvergunning van de sportvereniging. Zestien jaar was hij eigenaar van de zaak totdat hij ‘t Okshoofd verkocht aan de toenmalige bedrijfsleider Dirk Spaargaren, die op zijn beurt weer werd opgevolgd als bedrijfsleider door Peter Klumper. Na de komst van Tervoort werden de zaken anders aangepakt. De schriele portier verdween en er kwamen jongens aan de deur die duidelijk uit ander hout waren gesneden. De meest legendarische was Matwalda, ex-bokskampioen, een grote man met stekeltjeshaar – zeer bijzonder in die dagen van langharigen – die steevast op een kistje zat en die werd bijgestaan door zijn trouwe bouvier Tarzan. Dames konden hem altijd ongehinderd passeren, maar heren werden geacht wat geld in zijn knuisten te stoppen voordat ze werden toegelaten. ‘Hé pik, vergeet je niet wat?’ voegde hij ze toe als ze niet betaalden, gevolgd door een schop onder hun kont. ‘Nooit meer terugkomen!’

Oprotten junk
Behalve een lidmaatschap werd de bezoeker nu ook verplicht drie consumptiebonnen aan te schaffen aan de deur, want alles goed en wel, er moest wel gedronken worden natuurlijk. Bier en frisdrank kostten één bon, een colaatje-tic twee. Het lidmaatschap kon trouwens ter plekke worden geregeld omdat er een fotoautomaat was neergezet zoals die tegenwoordig nog te vinden zijn op het station. De zaak werd al in de dagen van de tafeltennissers bezocht door beroemdheden als de The Stones die een kantoor hadden een eindje verder op de gracht. Maar ook The Who en The Kinks kwamen in ‘t Okshoofd. David Bowie probeerde eens binnen te komen. Hij werd door Matwalda geweigerd, waarop Bowie zei: ‘Do you know who I am? I am David Bowie.’ Waarop Matwalda antwoordde: ‘En ik ben Matwalda. Oprotten junk.’ De interviewer die de Ierse zanger Van Morrison meenam naar ‘t Okshoofd slaagde er wel in binnen te komen. Morisson liet direct maar een hele fles whiskey aanrukken, toch geen gebruikelijke bestelling in ‘t Okshoofd. Uren later verliet hij liederlijk beschonken de zaak en maakte nog een dansje op het dak van de taxi die hem afvoerde naar zijn hotel. Naast de studenten en kunstenaars van het eerste uur waren er inmiddels ook heel andere klanten de zaak binnengekomen. ‘t Okshoofd werd het doorzakadres van de zware jongens die rijk waren geworden door de handel in wat toen nog verdovende middelen heette. Robbie Koning, drugshandelaar en ontvoerder van Maup Caranza, André Brilleman en Geurt Roos, lijfwachten van drugsbaron Klaas Bruinsma en Thea Moear die eveneens nauwe banden onderhield met Bruinsma, waren regelmatige gasten in ‘t Okshoofd. Voor de portier was er geen houden aan als dit soort figuren voor de deur stonden. Het leidde tot vechtpartijen en op een gegeven moment werd zelfs de portier beschoten en viel er voor de deur een dode. Niet alleen de drugshandelaren, ook de drugs zelf deed snel zijn intrede in ‘t Okshoofd. Dat begon al in de tijd van de tafeltennissers. Toen was het nog onschuldig, hasj en wiet. Later werd het al snel heroïne en cocaïne. Er werd openlijk geblowd en gedeald. Natuurlijk werden er maatregelen genomen. De deuren van de wc werden tot halverwege afgezaagd zodat direct duidelijk was dat er zich meerdere personen in één toilet bevonden: de plek bij uitstek waar werd gehandeld. Ook werden er detectiepoortjes geïnstalleerd om messen en vuurwapens tegen te houden.

Politie-inval
Het hielp allemaal niet, de drugshandel ging door. Desnoods werd de toiletjuffrouw omgekocht. Voor een geeltje wilde zij wel het één en ander door de vingers zien. Het werd zo erg dat het ook voor de autoriteiten niet meer mogelijk was de ogen nog langer te sluiten. Na een politie-inval in 1990 was het gedaan met de eerste vrijplaats van Amsterdam. In 1991 werd het gerenoveerd en al opnieuw geopend, nu onder de naam ‘t Heerenhuys. Er werd een bar in geplaatst die afkomstig was uit het Amstelhotel. Aan de muur hingen keurige prenten over de geschiedenis van de geluidsapparatuur. Mensen die nog geen 21 waren werden geweigerd en voortaan was correcte kleding vereist. Daarmee was ‘t Okshoofd, de zaak waar de Amsterdamse discotheek werd geboren en waar de ideeën voor opvolgers als de Mazzo, Richter en Odeon werd uitgebroed, definitief geschiedenis geworden. De jongens van toen zijn nu oude mannen geworden. Cor Schlösser en Rob Hendrikx zijn nog het dichts bij de oorsprong gebleven. Schlösser is nog even directeur van De Melkweg en Hendrikx verzorg de administratie van een aantal Amsterdamse horecabedrijven. Wim van den Berg is werkzaam op een middelbare school. Coltof is met pensioen en woont ver weg van roerig Amsterdam. Na de eerste jaren zijn de initiatiefnemers geen van allen ooit meer in ‘t Okshoofd geweest. Ze hoorden er wel eens wat over en meestal waren dat geen positieve geluiden. Van de linksige sfeer van het begin was toen weinig meer over, zegt één van hen. ‘Het studentikoze was er wel af.’ Maar trots zijn ze ook. Zij waren immers de pioniers die aan het begin stonden van een ontwikkeling die leidde tot een doorbraak in het uitgaansleven van Amsterdam. Na ‘t Okshoofd kwamen er al snel nieuwe nachtzaken in Amsterdam. Maar ‘t Okshoofd was toch echt de eerste vrije discotheek. En dat zal altijd zo blijven.

Research

De sociëteit waar elke avond honderden nachtvlinders van zeer diverse pluimage bijeen kwamen is voor zover ik heb kunnen achterhalen bijzonder slecht gedocumenteerd. Dit artikel is gebaseerd op gesprekken met Cor Schlösser, Rob Hendrikx, Wim van den Berg, Mauri Coltof, Jan Tervoort, Peter Klumper, Janna Hagen en Dirk Spaargaren, allen op enig moment voor langere tijd betrokken bij ‘t Okshoofd. Voor zover de herinneringen van de één niet helemaal gelijk waren aan die van de ander, heb ik gepoogd bij een derde de waarheid te achterhalen. Alle betrokkenen hebben het verhaal vooraf gelezen en her en der een aanvulling gegeven, maar veel veranderde het uiteindelijk niet in de tekst. De waarheid achterhalen was nog eens extra moeilijk omdat er op papier geen snipper informatie over ‘t Okshoofd te vinden is en internet het bovendien vrijwel volkomen laat afweten. Een mailtje naar de sportvereniging waar het allemaal mee begon leverde na een paar weken slechts de volgende mededeling op: “De genoemde personen zijn niet bekend zelfs niet bij de oude leden, in documenten die wij nog hebben worden ze ook nergens genoemd. Ik ben bang dat ik je ook niet verder kan helpen.” Ook foto’s zijn schaars. Er is een logo en een zwart-wit foto van de buitenkant. Dat is alles. Bij het Stadsarchief zijn wat foto’s van het interieur en exterieur van Herengracht 114 te vinden. Van de sociëteit zelf is niets. Logisch ook volgens mijn zegslieden, ‘t Okshoofd bestond juist bij de gratie van het feit dat alles in vrijwel totale duisternis plaatsvond. Wellicht komt er naar aanleiding van dit artikel meer boven water over deze legendarische sociëteit. Alleen al daarom is het de moeite waard dit verhaal geschreven te hebben.

Ons Amsterdam, 2011