Ze zijn groot, ze zijn luidruchtig en ze zijn vraatzuchtig: meeuwen. Waarom zitten ze in de buurt? En hoe raken we ze weer kwijt? ‘Ik denk dat we ermee moeten leren leven.’

Al meer dan twintig jaar lang volgt hij de meeuwen in Amsterdam: Willem van der Waal, lid van de Vogelwerkgroep Amsterdam weet waar hij over praat. Kokmeeuw, stormmeeuw, zilvermeeuw, zwartkop, kleine en grote mantelmeeuw. ‘En in de winter is er altijd wel een grote of kleine burgemeester in onze stad te vinden. Zeldzaam hier, want die komt eigenlijk alleen voor in IJsland, Spitsbergen of Groenland’, zegt hij met glimmende ogen.

Maar hier in de stad zien we toch vooral de kokmeeuw, de zilvermeeuw en de kleine mantelmeeuw. Oorspronkelijk kwamen meeuwen vooral voor in de kustgebieden. Ze leefden er van visjes en krabbetjes langs de kust, maar ook van vis op zee. ‘Kleine visjes die werden opgejaagd door makreel. Daar doken ze dan op. En het afval van de vissers. Maar die mogen het niet meer overboord gooien. Bovendien is de zee nu leeggevist.’

Dus zijn ze allemaal naar de stad verhuisd waar makkelijk aan eten is te komen. ‘Waarom zouden ze uren lang boven een weiland patrouilleren op zoek naar een paar wormen als je op de Wallen gewoon een zak kunt opentrekken waar het eten uitrolt? De stad is een Walhalla voor de meeuw.’

Een extra reden om naar de stad te verhuizen is omdat in de jaren tachtig de vos in de duinen verscheen, aldus Van der Waal. ‘Die vrat de eieren op en ook de kuikens. En zelfs wel eens een volwassen meeuw. Vroeger werd de vos daar afgeschoten, nu niet meer. Dus nestelen ze tegenwoordig op daken in de stad. Daar is immers geen vos te vinden.’

Halsbandparkieten

Meeuwen zijn slim en weten waar ze moeten zijn voor eten, zegt hij. Zo komt er geregeld een meeuw van Texel naar de haringstal op de brug bij de Oudezijds Voorburgwal. ‘Die vliegt elke dag heen en weer om zijn jongen te voeden. We weten dat omdat we een zendertje op z’n rug hebben geplakt.’ Maar ze zijn niet alleen slim, ze kunnen ook goed samenwerken. ‘Dan vliegt er één meeuw rakelings langs de haringeter. Die schrikt en laat de haring vallen. Een tweede meeuw pikt die haring dan op.’

In heel Amsterdam zijn zeker een paar duizend meeuwen actief. Overlastgevers? Lachend: ‘Ach, persoonlijk vind ik de halsbandparkieten veel erger. Maar buiten dat: de meeuwen kunnen er zelf weinig aan doen. Het is de mens die de overlast veroorzaakt. Door ze te voeren. En door een vuilniszak buiten te zetten die niet eens is afgesloten. Ja, dat is vragen om moeilijkheden.’ Van der Waal moet ook lachen om de plastic roofvogels die op sommige daken staan zodat de meeuw daar niet zal gaan nestelen. ‘Daar zijn ze binnen een dag aan gewend. Het enige dat helpt is een net over het dak spannen.’

In het Wallengebied vinden vooral bezoekers het leuk de meeuwen te voeren. Het is altijd grappig als zo’n beest je patatje oppikt natuurlijk. Hoe dichtbij durft-ie te komen? Gaan de meeuwen er gezellig met z’n allen om vechten en welke wint dan? Bewoners zijn daar wat minder blij mee want het gevolg is dat de meeuwen in de buurt blijven hangen en iedereen ‘s morgens wakker krijsen, vuilniszakken opentrekken en de boel onderschijten. Dat begrijpt Van der Waal best. Is dit probleem ook op te lossen? Er is in diverse steden zoals Katwijk, Vlissingen en Rotterdam al van alles geprobeerd om de hinder van meeuwen tegen te gaan, maar een pasklaar antwoord is niet gevonden, vertelt hij. ‘In Leiden wordt nu geëxperimenteerd met vuilniszakken die “meeuwenproof” zijn. Resultaten zijn er nog niet. Maar er is eigenlijk maar één antwoord mogelijk: houd afval van de straat en geef ze geen eten. Maar of we dat ooit voor elkaar krijgen? Ik denk dat we ermee moeten leren leven dat ze er zijn.

Willem Oosterbeek, Wallenbewoner, doet in vijfhonderd woorden regelmatig verslag van het dagelijks leven vanuit de beroemdste buurt van Nederland.