Dinsdagmorgen hingen ze er opeens: foeilelijke spandoeken met daarop de waarschuwing niet in de openbare ruimte te drinken op straffe van een boete van 95 euro. Het is één van de maatregelen die de burgemeester heeft afgekondigd om de overlast op de Wallen in te perken.

Hé, er gebeurt iets, dat is op zich al opmerkelijk. En het is niet de enige maatregel: de handhaving wordt uitgebreid, er worden geen groepsrondleidingen meer toegestaan in de avonduren, op de grachten wordt tussen elf uur ‘s avonds en zeven uur ‘s morgens een vaarverbod ingesteld, er zal beter worden gecontroleerd op doorschenken bij de horeca en de alsmaar rondrijdende taxi’s worden aangepakt. Er is meer, maar dit zijn wel de belangrijkste punten.

Positief? Zeker, er gebeurt eindelijk eens iets om de bij tijden immense overlast op de Wallen de kop in te drukken. Het is lang geleden dat er zo’n groot pakket met maatregelen op tafel lag. Na de ‘laat maar waaien’-houding van het vorige college, is dit dan ook een aangename verrassing.

Helaas is daarmee niet alles gezegd. Er is vanzelfsprekend een maar. Er zijn zelfs een paar maren.

Dat is geen gezeur, maar wordt ingegeven door een kritische houding gebaseerd op ervaringen in het verleden.

Het allereerste punt van zorg: hoe lang gaan we dit volhouden? Het is een bekend verschijnsel in deze buurt dat er forse taal wordt gebezigd. Een paar weken lang wordt er voortvarend de hand gehouden aan de nieuwe maatregel. Vervolgens zijn er nieuwe problemen die om aandacht vragen en verslapt de boel en zijn we alweer heel snel terug bij af. Kortom, laten we het er over een jaartje nog eens over hebben want hier in de buurt is het: eerst zien, dan geloven.

Fundamenteler

De tweede maar is van iets fundamenteler aard. Dat is de overtuiging dat het al veel te laat is voor dit soort maatregelen. De boel is hier al zo lang en zo verregaand uit de hand gelopen dat een beetje meer handhaving, wat meer publiciteit, bij lange na niet voldoende is.

Tot voor kort was ook ik ervan overtuigd dat je de boel hier met een aanpak als boven beschreven aardig onder controle zou kunnen krijgen. Mits de voorgenomen daadkracht vanzelfsprekend consequent en met nimmer aflatende inzet in de praktijk zou worden gebracht.

Inmiddels ben ik ervan overtuigd dat dit niet voldoende zal zijn. Ik heb het al eerder gezegd, maar herhaal het hier nog eens. De twee magneten die de over het algemeen niet al te fijnbesnaarde soort toeristen de buurt intrekt, zullen moeten verdwijnen. Weg dus met de coffeeshops en het prostitutiebedrijf; het lijkt de enige manier om aan de overstelpende drukte een einde te maken. Deze twee factoren hebben een sterk aanzuigende werking en zorgen met de Nuttella-winkels, toeristenshops, et cetera, die in het kielzog van deze bedrijfstakken naar de buurt zijn gekomen, voor de gigantische overlast.

Als het prostitutiebedrijf en de coffeeshops verdwijnen zal de buurt voor heel veel mensen niet langer interessant zijn. Het gevolg: veel minder en een heel ander publiek dat de Wallen gaat bevolken. Misschien komen er dan wel mensen die de schoonheid van de oude historische binnenstad komen bewonderen!

Daarmee is ook direct de vraag die de burgemeester stelt aan het eind van de brief beantwoord. Die vraag, die overigens voor de zoveelste keer wordt gesteld luidt: ‘Hoe willen we dat de Amsterdamse binnenstad er over tien of vijftien jaar uitziet?’

Willem Oosterbeek, Wallenbewoner, doet in vijfhonderd woorden regelmatig verslag van het dagelijks leven vanuit de beroemdste buurt van Nederland.